korevaar advies logo
portret Kees Korevaar

Korter werken, beter leren

Terwijl het aantal banen krimpt en het aantal werkloze schoolverlaters groeit sombert Nederland over ‘baanloze groei’. De robot is overal. Neemt banen over in de zorg. Verdrijft laaggeschoolde werknemers uit winkels en kantoren. Alles wordt slechter…. We kunnen het ook omkeren. Technologische ontwikkelingen scheppen de voorwaarde voor kortere werktijden. En kortere werktijden scheppen nieuwe sociale en culturele mogelijkheden die weer nieuwe banen en innovatie creëren. Je moet wel durven, maar het zou verstandig zijn om nu een begin te maken met een grootscheepse herverdeling van arbeid.


Leuke voorbeelden

Rond 1960 had een nieuwe generatie schoon genoeg van de lange, saaie werkdagen in de fabriek. In 1964 brak de vrije zaterdag door en de jaren daarop werd overal de 40-urige werkweek ingevoerd. Dit betekende de opkomst van de dienstensector. Winkels, horeca en cultuur profiteerden van de massale vrije tijd en de toegenomen bestedingsmogelijkheden. Nederland werd een dienstenland. Veel fabrieken sloten of gingen automatiseren en behoren nu qua technologie tot de wereldtop. Moderne fabrieken maken producten waar je veel vrije tijd voor nodig hebt anders kun je ze niet gebruiken. Zij hebben zich dus aangepast aan de kortere werktijden en de relatief hoge koopkracht in ons land. In 1982 ging het minder voor de wind. Er was een hoge jeugdwerkloosheid en een nieuwe generatie vrouwen eiste een betaalde baan. Er waren dus veel te weinig banen. Vakbonden, vrouwenorganisaties en politieke partijen vonden elkaar op het principe ‘herverdeling van arbeid’. Dat sloeg aan. Vanaf 1984 begon de economie te groeien, gevolgd door een banengroei die twintig jaar aanhield. De nieuwe banen zagen er anders uit dan voorheen: veel deeltijdbanen, uitzendbanen, flexbanen en uiteindelijk ook veel banen voor zelfstandigen. Nederland was aan het eind van de twintigste eeuw hard op weg om een flexeconomie te worden. Toch had de banenmachine effect gehad. De koopkracht was gegroeid, het bestedingspatroon veranderd, er was weinig werkloosheid en de economie was concurrerend.


Sociale ongelijkheid

Na twee revoluties op de arbeidsmarkt: die van de vrije zaterdag en die van de deeltijdbaan zag Nederland er heel anders uit. De vraag is nu: is er opnieuw de ruimte en de wil voor een grondige hervorming van de arbeidsmarkt? En hoe ziet die hervorming er dan uit? In 2014 is sprake van een hoge werkloosheid en slechte vooruitzichten voor werknemers met weinig opleiding. Dit is de belangrijkste bron voor de toenemende sociale ongelijkheid in Nederland. Met een goeie opleiding werk je goed, woon je goed en leef je goed. Met een gebrekkige opleiding is het allemaal een stuk minder en is de toekomst onzeker. Een betere verdeling van werk én opleiding kan dit probleem verzachten. Niet door een generieke arbeidstijdverkorting en een voor ieder gelijk vrijetijdspatroon zoals 50 jaar geleden. Maar door maatwerk en door een koppeling van werken en leren.


De werk-leer carrousel

Aan de bovenkant van de arbeidsmarkt (vanaf MBO-4, plus bijna alle technische beroepen) is sprake van een tekort aan vakmensen. De internationale concurrentie dwingt bedrijven om meer te investeren in hooggekwalificeerde werknemers. Dit zorgt voor een structureel hoge werkdruk bij de elite, die hier en daar ook wel remmend werkt op innovatieve mogelijkheden. Het zou een stap vooruit zijn als het bedrijfsleven bereid was om, in samenwerking met vakbonden en onderwijs, voor meerdere jaren en op grote schaal te investeren in opleidingen, gecombineerd met korter werken. En dat vooral op het MBO-niveau, waar zich in de samenleving de meeste problemen voor doen. De school verhuist naar de fabriek, het ziekenhuis, de winkel of het magazijn. Het onderwijs wordt daardoor veel praktischer en dat kan motiverend zijn voor een deel van de doelgroep. Mijn voorstel komt in feite neer op een forse uitbreiding van het BBL: het Beroeps Begeleidend Leren. In het BBL werken jonge mensen immers 3 of 4 dagen per week, naast hun beroepsopleiding.
Er komt wel wat extra‘s voor kijken. Mijn voorstel vraagt om uitbreiding, modernisering, praktischer maken en misschien zelfs ‘robotisering’ van het beroepsonderwijs. Dit kost veel (overheidsgeld)geld, maar levert ook veel banen op en zorgt voor technische innovaties in en rond het MBO. Er is niet alleen geld nodig, maar er wordt ook een enorme tijdsinvestering gevraagd op verschillende niveaus. Zo zijn er veel meer leermeesters of begeleiders in de bedrijven nodig om praktijklessen te geven. Bovendien zullen veel ervaren medewerkers herscholing of bijscholing moeten volgen om zelf ook aan toekomstige beroepseisen te kunnen voldoen. Alles bij elkaar ontstaat er een soort van herverdeling van werk en kennis binnen bedrijven en op de arbeidsmarkt. We zouden dit de werk-leer carrousel kunnen noemen. Dit voorstel vraagt veel strategische visie en solidariteit van werknemers en vakbonden. Er worden immers andere prioriteiten gesteld en het gaat op korte termijn misschien ten koste van koopkracht. Maar op wat langere termijn betaalt het zich terug in een betere arbeidsmarkt. Het vraagt ook veel van bedrijven en hun leidinggevenden. Zij moeten anders gaan denken over de combinatie werken en leren. Zij zullen bovendien een deel van de investeringen moeten dragen. En veel tijd moeten steken in werving en begeleiding van jongeren, wat niet vanzelf gaat. Als de school naar de fabriek komt, dat wordt de fabriek een soort van school. Het zal even wennen zijn.


Effecten

Door dit beleid wordt een maatschappelijke ontwikkeling versterkt die al aan de gang is: de werk-leerbaan. Bedrijven, werknemers en zelfstandigen raken er stap voor stap aan gewend dat werken kan, zelfs moet worden afgewisseld met leren. Belangrijke effecten doen zich voor in de productiviteit, want lerende banen zijn innovatieve banen. Een tweede effect zien we op de arbeidsmarkt: als de arbeidsmarkt voor excellente werknemers nog krapper wordt zullen er meer kansen ontstaan voor bijvoorbeeld MBO-ers. Een derde effect doet zich voor in het onderwijs, waar door een stevige investeringsimpuls nieuwe banen zullen ontstaan. Het vierde effect is het sociale effect, dat ieder goed banenplan voor de zwakkeren nu eenmaal heeft.