korevaar advies logo
portret Kees Korevaar

Wie is er bang voor flexwerk?

Flexarbeid is geen randverschijnsel meer. Flex is ook geen conjunctureel verschijnsel maar wordt de norm in de moderne arbeidsorganisatie. Volgens TNO moeten we rekenen op 30% flexbanen in 2020. Dit nieuws - breed uitgemeten op het ABU-congres - heeft de Nederlandse arbeidsexpertise flink beziggehouden deze week. Wat mij het meest opvalt is het sneuvelen van twee kerngedachten die de ABU jarenlang zelf heeft uitgedragen: a) flexwerk is een keuze van de werknemer b) flexwerk is de beste opstap naar vast werk. In deze blog een pleidooi voor vermogensopbouw van flexwerkers.

Flexwerk is een keuze?

Natuurlijk is flexwerk een keuze. Het is een keuze van scholieren en studenten, die tussen de tentamens door wat bijverdienen. Een keuze van schoolverlaters of herintreders die het even niet zo precies weten. Een keuze van werkzoekenden die niet al te veel kansen hebben: dus flexwerk of geenwerk. Of een keuze van de vakman die liever zelfstandig ondernemer is.
Daarmee is flexwerk niet verkeerd. Het is juist goed voor de arbeidsmarkt want het smeert de altijd stroeve relatie tussen vraag en aanbod. Als er geen armoede en afhankelijkheid was dan zou een flexcontract het beste contract van de wereld zijn, want het brengt de werkende op de werkplek precies op het tijdstip waarop hij of zij hard nodig is. Een puur economische relatie tussen werkgever en werknemer dus en geen juridische beperkingen, zoals ontslagrecht en opzegtermijnen. Maar er is wél armoede en afhankelijkheid. En daarom zien we langzaam maar zeker een kloof tussen ‘zelfredzaam’ en ‘afhankelijk’ ontstaan. Die kloof loopt dwars door de flexibele populatie. Aan de ene kant de engineer die zich makkelijk kan redden, whatever tijdelijk contract of vast contract. Aan de andere kant de tegelzetter of chauffeur die eigenlijk een goede werkgever zou moeten hebben omdat hij dit werk niet zijn hele leven volhoudt. Opleiding speelt in deze tweedeling een belangrijke rol. Naarmate er meer flexkrachten komen groeit natuurlijk ook het aantal potentiële probleem gevallen. Dat zijn precies degenen die niet voor een flexbaan hebben gekozen. Of de verkeerde keus hebben gemaakt.

Flexwerk is een opstap naar vast werk?

Dit is de tweede aanname die inmiddels gesneuveld is. Als 25 of 30% van de beroepsbevolking een flexbaan heeft dan heeft de gemiddelde werkende tussen de 18 en 35 een flexbaan en daarna een vaste baan. Zo lijkt het soms, maar zo is het niet meer. We zullen er mee moeten leven dat er nieuwe generaties op de arbeidsmarkt komen die voor altijd, of voor een zeer lange periode flexwerk verrichten. Dat hoeft niet erg te zijn als er voor deze groep voorzieningen bestaan, die een minimale zekerheid bieden bij ziekte enzovoort, die behoud en ontwikkeling van vakmanschap garanderen en die een min of meer verzorgde oude dag bieden. Hoe doen we dat? We zijn in Nederland in denken al heel ver verwijderd van de verzorgingsstaat en de klassieke sociale zekerheid. Dus ik durf hier ook wel een pure ondernemersterm te gebruiken. De flexkracht moet in staat zijn om een ‘eigen vermogen’ op te bouwen. Voor een gewone werkende zijn dat drie dingen: een goed onderhouden vakopleiding, een vorm van pensioen, een eigen woning.
De ‘gewone’ werknemer heeft ook een eigen vermogen. En ook dat ligt meestal verankerd in vakmanschap, pensioen en spaargeld of woning. Het verschil is dat de flexkracht dit vermogen niet opbouwt via een bedrijfs CAO of sector CAO maar individueel. Het is een uitdaging voor het Nederlandse arbeidsbestel om iets te bedenken waardoor de ZZP-er of langdurige uitzendkracht vermogen opbouwt dat onafhankelijk maakt van werkgevers en overheid. Dat kan best. Ik zie hier een uitdaging voor vakbonden, pensioenfondsen, de woningmarkt en natuurlijk voor het beroepsonderwijs om een vorm te vinden waarbij een zelfstandige of flexkracht vergelijkbare rechten heeft als een werknemer.
Er is ook wetgeving nodig is om zover te komen. Te denken valt aan een goed afgedicht recht op het minimumloon. Een minimumloon met een ouderwetse WIG tussen bruto en netto. Het bruto minimumloon bevat een verplichte reservering voor vermogensvorming, te beginnen met opleidingsrechten en pensioen. En wordt dus ook duurder. Ik zie wel in dat hier verschillende complicaties zijn. Bijvoorbeeld, wat zijn Nederlandse pensioenrechten waard voor iemand die in Polen woont en door heel Europa werkt. Maar ook hier zijn oplossingen voor te bedenken.
Ik zou de strategie inzake flexarbeid flink willen verleggen. Het gaat niet om de rechteloosheid van een al te vloeiende arbeidsmarkt of de flexibele arbeidsorganisatie. Het gaat om de rechten van de man of vrouw die op deze arbeidsmarkt een weg moet vinden. En dat recht noemen we het recht op vermogensopbouw.